Menu
Photo 1573496546038 82f9c39f6365
Nieuws

BLOG: Inburgering 2022: vijf uitdagingen voor gemeenten

Eind vorig jaar werd bekend dat de invoering van de nieuwe Wet inburgering voor de tweede maal wordt uitgesteld. De invoering is verschoven van juli 2021 naar 1 januari 2022. Voor veel gemeenten was dit een tegenvaller omdat ze aangeven in de startblokken te staan om de dienstverlening aan inburgeraars volgens de nieuwe wetgeving vorm te geven. Dit met name omdat de huidige wet inburgering 2013 gemeenten niet in staat stelt om inburgeraars een inburgeringsaanbod te doen en hen te begeleiden bij de verdere integratie in de gemeente. Gemeenten staan daarom te trappelen om de regierol, zoals voorzien in de nieuwe wet inburgering, op zich te nemen. Om deze wet vanaf 1 januari 2022 echt tot een succes te maken zien wij nog een aantal uitdagingen voor gemeenten die het komende jaar aandacht vragen.

Uitdaging 1: Integrale samenwerking in sociaal domein

Een van de manco’s van het huidige inburgeringsstelsel is dat inburgering op zichzelf staat. Inburgering is primair gericht op het leren van de Nederlandse taal, en niet op deelname aan onderwijs of participatie op de arbeidsmarkt (zie wetsevaluatie Significant, 2018). De ambitie van de nieuwe wet inburgering 2022 is dat alle inburgeraars snel volwaardig kunnen meedoen in de samenleving. Door de regie bij gemeenten te leggen is de verwachting dat inburgering beter kan worden vormgegeven in samenhang met participatie in de samenleving. Dit vraagt van gemeenten regie op de samenwerking met alle betrokken partijen binnen het sociaal domein, waarbij allen werken aan een gemeenschappelijk doel. Dit is niet eenvoudig, aangezien de doelen van de inburgeringswet en participatiewet elkaar ook kunnen bijten. Zo vraagt de participatiewet bijvoorbeeld zo snel mogelijk uitstroom naar (fulltime) werk, terwijl de inburgeringswet inspanningen (en dus tijd) vraagt op het leren van de Nederlandse taal, soms ook in combinatie met een gezin. Dit vraagt om begrip van elkaars werkpraktijk, korte lijnen, en maatwerkafwegingen (welke wet is leidend per situatie). De nieuwe wet inburgering biedt gemeenten de beleidsvrijheid om zelf hun lokale of regionale werkwijze te ontwikkelen. Dit vraagt vanaf het begin om reflectie en monitoring van alle betrokkenen op de werkwijze en hun rol daarin. Zo kunnen gemeenten de integrale samenwerking die aansluit bij de ambitie van de wet inburgering 2022 doorontwikkelen.

Uitdaging 2: Grip op kwalitatief hoogwaardig inburgeringsaanbod middels inkoop

Belangrijk onderdeel van de regierol is uiteraard de inkoop van het inburgeringsaanbod. In het huidige inburgeringsstelsel zijn statushouders zelf verantwoordelijk voor het vinden en inkopen van een geschikte inburgeringscursus. Met de nieuwe wet staan gemeenten aan de lat voor de inkoop en daarmee ook de kwaliteit van de inburgeringstrajecten. De kwaliteit van taalaanbieders wordt gecontroleerd door het keurmerk Blik op Werk. Om te sturen op de kwaliteit en diversiteit van het aanbod, passend bij de behoefte van de gemeente, kunnen gemeenten zelf ook nog nadere kwaliteitscriteria instellen bij de inkoop van taalcursussen. Dit vraagt volgens ons om een visie en beleidsvorming op het aanbod. Daarbij hoort ook de schaalvraag: kan een gemeente hier zelf in voorzien of is regionale samenwerking nodig? Voor veel kleinere gemeenten is regionale samenwerking op de inkoop raadzaam. Visie- en beleidsontwikkeling kost tijd. Het is daarom van belang dat gemeenten hier tijdig mee starten en de markt hierbij betrekken. Marktconsultaties leveren gemeenten waardevolle kennis op over hoe de markt al dan niet kan voorzien in de doelstellingen van de gemeente, wat nodig is om deze te realiseren en wat eventuele knelpunten zijn om tot passende samenwerking te komen. De voorbereiding op- en uitvoering van inkoop vraagt vervolgens om een goede vertaalslag van (regionale) visie en beleid naar inkoop waarbij grip wordt gehouden op kosten en kwaliteit. Tot slot is contract- en leveranciersmanagement cruciaal om de naleving van de uitvoering van de contracten die gemeenten gesloten hebben te borgen.​

Uitdaging 3: Aandacht voor divers inburgeringsaanbod

Gemeenten kopen in het nieuwe stelsel drie leerroutes in: de B1-route, de Onderwijsroute en de Z-route. Het reeds bestaande inburgeringsaanbod sluit, met enige aanpassingen, naar verwachting goed aan bij de B1-route. De onderwijsroute vraagt met name goede samenwerking tussen taalaanbieders en onderwijsinstellingen. De Z-route (zelfredzaamheidsroute) vraagt echter een radicaal ander aanbod dan het reguliere taalaanbod. De Z-route is voor inburgeringsplichtigen voor wie de B1- of Onderwijsroute niet mogelijk is. De verwachting is dat dit met name statushouders zijn met een beperkt leervermogen of die in hun eigen taal analfabeet zijn. Het uitgangspunt van de Z-route is dat statushouders leren door te doen. De nadruk ligt daarom minder op klassikaal taalonderwijs, maar juist op praktijkgerichte lessen. Inburgeraars leren middels activiteiten (sport, koken etc.) en oefenen zo samen de taal in de praktijk. Dit stelt (taal)aanbieders voor de uitdaging om dergelijk aanbod te ontwikkelen omdat dit momenteel nauwelijks bestaat voor deze doelgroep. Daarbij is de doelgroep ook gebaat bij mogelijkheden om buiten de cursus om te oefenen met de taal. Hiertoe kunnen gemeenten samenwerken met burgerinitiatieven die, aanvullend op inburgeringscursussen vanuit taalaanbieders, informeel en non formeel taal- en participatie-aanbod aanbieden. Burgerinitiatieven kunnen onder andere een rol spelen bij het organiseren van taalmaatjestrajecten, taalcafé’s en vrijwilligerswerk.

Uitdaging 4: Statushouder centraal door maatwerk in de begeleiding

Ondanks de regierol van gemeenten op de inburgering is een belangrijk uitgangspunt van de wet dat de statushouder zelf aan het roer staat en verantwoordelijk is voor het behalen van zijn of haar inburgering. Belangrijk onderdeel van de nieuwe wet is immers het Plan Inburgering en Participatie (PIP). Op basis van een uitgebreide intake wordt een persoonlijk plan samengesteld door de gemeente en de statushouder zelf (zie tussenrapport Significant, 2020). Hierdoor hebben gemeenten meer zicht op de behoeften van statushouders en kunnen ze hen beter begeleiden bij hun inburgeringsproces. Dit vraagt volgens ons in de begeleiding van de gemeente, de maatschappelijke organisaties en de taalaanbieders kennis van de diversiteit, achtergrond, cultuur en ervaringen van statushouders. De groep is immers zeer divers in leeftijd, werkervaring, opleidingsniveau, gezinssituatie en vluchtverleden. Dit vraagt per persoon andere aandacht in de begeleiding van de inburgering. Specifiek voor het vluchtverleden benadrukken we dat dit enerzijds een bron kan zijn van veerkracht welke van belang is om te behouden en waar mogelijk te versterken. Anderzijds kunnen traumatische ervaringen leiden tot een hoger risico op psychische klachten (stress, slaapproblemen) of psychische stoornissen (angststoornissen, depressie en PTSS). Bijna een kwart van de statushouders krijgt te maken met PTSS en/of depressie. Dit maakt dat er bij gemeenten ook genoeg expertise nodig is over de mentale en fysieke gezondheid van de statushouders in de gemeente (zie Gezondheidsraad, 2016).

Uitdaging 5: Integratie komt van twee kanten

Als laatste benadrukken we dat volwaardige integratie meer is dan het behalen van een inburgeringsdiploma. Integratie is een gedeelde verantwoordelijkheid van zowel statushouders als van de ontvangende samenleving (zie ook het onderzoek van het SCP, 2019). Dit vraagt dus niet alleen inspanning van statushouders (om de taal te leren en mee te doen), maar ook inspanningen van de samenleving. Ook hier hebben gemeenten een belangrijke rol in door integratiebeleid niet alleen te richten op de inburgeraar, maar ook op de samenleving. Door ontmoetingen te organiseren op de werkvloer, in de klas, in de buurt, in de zorg of bij de politie krijgen statushouders een gezicht. Eenmaal in gesprek kan met respect voor elkaars zienswijze worden doorgepraat over verschillende dilemma’s. Dit om vooroordelen en discriminatie tegen te gaan en wederzijds begrip en verbinding te creëren.

We sluiten af met een oproep aan de wetgever en gemeenten om, ondanks het formele uitstel van de wet, zo snel mogelijk in de geest van de nieuwe wet inburgering te handelen. Door het (herhaaldelijke) uitstel van de nieuwe wet inburgering wordt de groep inburgeraars die onder het huidige stelsel (met al haar manco’s) moet inburgeren immers weer groter. De taakstelling voor gemeenten om statushouders (en daarmee ook inburgeringsplichtigen) te huisvesten is in de eerste helft van 2021 vastgesteld op 13.500. Dit is een verdubbeling ten opzichte van de tweede helft van 2020 (6.500). Formeel valt deze aanzienlijke groep van inburgeraars die in 2021 een verblijfstatus krijgt nog onder de huidige wet inburgering. Het vraagt creativiteit en flexibiliteit van zowel de wetgever als gemeenten om de groep inburgeraars die dit jaar een verblijfsstatus krijgt te laten profiteren van het nieuwe stelsel (een voorbeeld hiervan is het Kwaliteitsconvenant Taal en Inburgering van de gemeente Amsterdam). Dit bedrukt de urgentie voor gemeenten om zo snel mogelijk aan de slag te gaan met de genoemde vijf uitdagingen.

Deze blog is geschreven door Linda Bakker, Gerlise van der Maas en Nikki Scholten. De blog is ook terug te vinden op de website van Sociaalweb.

Reageren op dit artikel?

Stuur dan je reactie naar:

Linda Bakker